“Durf een beetje te twijfelen aan je eigen aannames. We hebben allemaal blinde vlekken. Laten we zorgen dat kinderen daar niet de dupe van worden.”  

Je krijgt kinderen op de radar die je eerst niet zag
Matties Eversdijk over zijn ervaringen met ZOOV+ binnen Zonova

Binnen Zonova, de grote scholenstichting in Amsterdam-Zuidoost, wordt inmiddels op steeds meer scholen gewerkt met ZOOV+. Matties Eversdijk, plusklasleerkracht en HB-expert, was nauw betrokken bij de invoering. In dit interview deelt hij hoe hij met ZOOV+ in aanraking kwam, wat leerkrachten ervan vinden en waarom deze manier van signaleren volgens hem echt van waarde is.

Hoe kwam jij voor het eerst in aanraking met ZOOV+?

“Dat was op een conferentie over hoogbegaafdheid. Iemand die ik vaag kende, zei tegen mij: ‘Jij werkt toch in Amsterdam-Zuidoost? Dan denken we dat ZOOV+ echt iets voor jullie is, als je serieus met signalering aan de slag wilt.’

Wat daarbij vooral genoemd werd, was dat het instrument non-verbaal is. Bij ons in de wijk spreken veel kinderen thuis een andere taal dan Nederlands. Juist daardoor leek het voor onze context heel geschikt. Dat kwam voor mij ook precies op het goede moment. Ik was me al aan het verdiepen in hoe we signalering binnen school en stichting serieuzer konden aanpakken. Die ambitie was er al jaren, maar het kwam eigenlijk niet echt van de grond. Toen dacht ik: dit is misschien precies de juiste informatie op het juiste moment. Ik ben het gaan uitzoeken en toen was het eigenlijk vrij snel beklonken.”

Werkten jullie meteen stichtingbreed met ZOOV+?

“Nee, dat is stap voor stap gegaan. We werken nu voor het derde jaar met ZOOV+. In het eerste jaar was het alleen op de school waar ik toen werkte. Vorig jaar was er een kopgroep van ongeveer zeven scholen. En nu werkt de hele stichting ermee, zo’n negentien scholen.”

Wat hoor je terug van leerkrachten?

“Wat leerkrachten vooral prettig vinden, is dat het digitaal is, adaptief en weinig tijd kost. Ook vraagt het weinig voorkennis van meer- en hoogbegaafdheid, en dat is belangrijk, want lang niet iedere leerkracht binnen onze stichting is daarin geschoold. Het is dus gewoon direct goed inzetbaar.

Als een school ermee start, geef ik vaak eerst een kick-off aan het hele team. Dan leg ik uit wat ZOOV+ is, hoe het werkt en laat ik collega’s er ook alvast mee oefenen. Daarbij zeg ik altijd: wees je ervan bewust dat je straks kinderen op de radar gaat krijgen die je eerst niet op de radar had.
Natuurlijk zitten de kinderen ertussen die je al verwachtte. Maar het wordt pas echt interessant bij de kinderen die je juist níét had zien aankomen. Daar probeer ik teams van tevoren al op voor te bereiden.”

Wat bedoel je daar precies mee?

“Dat je verrast gaat worden. En dat je daarin open moet blijven kijken. Probeer mee te denken: wat kan deze leerling nodig hebben? Want kennelijk heeft dit kind meer capaciteiten dan je op het eerste gezicht dacht.

Eigenlijk zeg ik tegen collega’s: durf ook een beetje te twijfelen aan je eigen aannames. We hebben allemaal blinde vlekken. Laten we ervoor zorgen dat kinderen daar niet de dupe van worden.”

Roept dat ook weerstand op?

“Ja, soms wel. Zeker bij mensen die hart hebben voor deze doelgroep en denken: ik zie het meestal toch wel. Dan kan een eerste reactie zijn: hè, deze leerling? Klopt het instrument wel? Dat herken ik inmiddels ook. Daarom probeer ik daar in die kick-off al op voor te sorteren. Je gaat gewoon verrast worden. En dat is in principe ook precies wat je wilt. Want anders had je ZOOV+ niet nodig gehad. Als je alles met het blote oog al perfect kunt signaleren, dan is dat natuurlijk prima. Maar juist die leerlingen die je anders mist, daarvoor is het interessant.”

Hebben jullie afspraken over wat je doet na signalering?

“Ja, we proberen het holistisch aan te pakken. ZOOV+ nemen we serieus en het is voor ons een belangrijk onderdeel van signalering. Maar het staat niet op zichzelf. We kijken daarnaast ook naar de observaties van de leerkracht, naar het leerlingvolgsysteem en naar input van ouders en thuissituatie. Dat zijn voor ons eigenlijk vier pijlers onder de signalering.”

Dus ZOOV+ is een startpunt, niet het hele verhaal?

“Precies. Je moet zelf blijven nadenken. Die uitkomsten zijn een eerste indicatie. Daarna kijk je altijd naar het totaalplaatje rondom een leerling.”

Zijn er ook dingen waar jullie nog zoekende in zijn?

“Ja, dat gesprek blijft gewoon nodig. Die verwarring of twijfel bij sommige uitslagen, die blijft soms bestaan. Je bent dus in overleg met collega’s en dat is ook goed. Het zorgt er juist voor dat het leeft en dat mensen er echt over nadenken. Het is niet zo dat je ZOOV+ inzet en dat vervolgens alle discussie verdwenen is. Zo werkt het natuurlijk niet. Maar dat hoeft ook niet. Je moet er juist met elkaar over praten.

Als er echt twijfel is, kun je ook nog een tweede signalering afnemen. Dat hebben wij ook wel eens gedaan. Soms pakt een uitslag dan anders uit dan de eerste keer. Dan ga je met elkaar kijken: hoe komt dat? Wij hebben bijvoorbeeld een keer geconcludeerd dat de afname niet helemaal was verlopen zoals bedoeld. Dat had toen meer te maken met de manier van afnemen door de betreffende leerkracht. Maar dat is echt een uitzondering. Over het algemeen hebben we daar geen last van. Kleine afwijkingen vallen gewoon binnen de norm.”

Wat levert deze manier van signaleren jullie vooral op?

“Dat het gesprek gevoerd wordt over de leerlingen over wie het moet gaan. Je krijgt een aanwijzing: hier moet je beter naar kijken. Dat is al ontzettend waardevol.”

Waarom is dit volgens jou juist in een grote stad belangrijk?

“In Amsterdam Zuidoost hebben we het veel over kansengelijkheid. En ik denk dat ZOOV+ daar heel goed bij aansluit. Voor ons is vooral belangrijk dat het een non-verbaal signaleringsinstrument is. Een groot deel van onze populatie spreekt thuis een andere taal dan Nederlands. Daarnaast speelt culturele sensitiviteit ook mee. Dat is iets waar we met collega’s over gesproken hebben: hoe past ZOOV+ daarin? Wij denken dat we met ZOOV+ daarin een goed alternatief hebben gevonden.”

Quote by Susan Jackson: We can't measure a three-foot organism with a one-foot ruler.