(On)gelijke start

Kansrijk adviseren in het Voortgezet Onderwijs

Analyse van intelligentieverdeling en kansenongelijkheid binnen het Nederlandse onderwijssysteem

Leerlingen in Nederland krijgen niet altijd een schooladvies dat aansluit bij hun cognitieve capaciteiten. Uit dit onderzoek blijkt dat bijna 20% van de HAVO-leerlingen een intelligentiescore behaalt die hoger ligt dan het gemiddelde van VWO-leerlingen. Dit wijst erop dat sommige leerlingen niet de uitdaging krijgen die ze aankunnen.

Ook laat dit onderzoek zien dat leerlingen met een Arabische, Afrikaanse of Spaanse naam gemiddeld op een lager schoolniveau worden ingeschaald dan Europese leerlingen met dezelfde intelligentie.

“Als een op de vijf HAVO-leerlingen qua intelligentie op of boven VWO-niveau zit, moeten we ons afvragen of we wel de juiste keuzes maken bij schoolplaatsing”  

Femke Hovinga

Onderzoeker, SCALIQ

Inleiding

Deze studie, (On)gelijke Start, heeft twee doelstellingen: het normeren van de VOQS (screeningsinstrument intelligentie VO) en het onderzoeken van de spreiding van cognitief sterke leerlingen en hun plaatsing binnen het voortgezet onderwijs.

Onderzoeksdoelen en hypothesen

Dit onderzoek richt zich op twee centrale vragen:

1. Hoe verhouden de VOQS-scores zich tot de schoolniveaus in het voortgezet onderwijs, en in hoeverre is er sprake van overlap tussen niveaus?

  • Hypothese: Leerlingen met hogere VOQS-scores bevinden zich vaker op hogere schoolniveaus, maar er is aanzienlijke overlap tussen niveaus.

2. Welke externe factoren beïnvloeden de plaatsing van leerlingen bij gelijke intelligentiescores?

  • Hypothese: Bij gelijke intelligentiescores zouden leerlingen op gelijke schoolniveaus geplaatst moeten worden, maar mogelijk spelen sociale of institutionele factoren een rol bij schooladvies.

    Relevantie van deze studie binnen de PO-VO doorstroomdiscussie

    Dit onderzoek vindt plaats binnen de bredere maatschappelijke discussie over de doorstroom van primair naar voortgezet onderwijs (PO-VO) en de invloed van vroege selectie op kansenongelijkheid. Het is essentieel dat talent herkend en optimaal benut wordt, zodat leerlingen onderwijs volgen dat aansluit bij hun capaciteiten en onderwijsbehoeften. Een juiste plaatsing draagt niet alleen bij aan het individu, maar ook aan een samenleving waarin talent effectief wordt ingezet.

    Normeringsgroep en methodologie

    De normering van de VOQS is gebaseerd op een continu normeringsmodel dat leeftijdsoverstijgend werkt, dit model benut gegevens van verschillende leeftijdsgroepen om een stabielere normering te verkrijgen.

    Bij de samenstelling van de normeringsgroep zijn dubbele afnames per leerling verwijderd, evenals afnames waarbij een leerling meer dan vijf opeenvolgende opgaven binnen 1,5 seconden beantwoordt, wat duidt op niet-serieuze deelname. Na deze opschoning bleven 6409 afnames over. Deze groep werd gestratificeerd naar leerjaar en schoolniveau, met gegevens afkomstig van DUO. De normering is uitgevoerd met het Generalized Additive Model for Location, Scale, and Shape (GAMLSS).

    VOQS-schaal en score-interpretatie

    De VOQS is een adaptieve intelligentiescreener waarbij scores worden uitgedrukt in percentielen. Leerlingen worden geclassificeerd als:

    Grijs (< P80): Onderste 80% van cognitieve potentie ten opzichte van de gemiddelde Nederlander.
    Blauw (P80 – P95): Percentiel 80-95: behorend tot de bovenste 20% cognitieve potentie.
    Paars (≥ P95): Bovenste 5%, vermoeden van (hoog)begaafdheid.

    Gemiddelde VOQS-score per niveau: VWO (113,5), HAVO (103,3), VMBO-GL/TL (94,9)

    In de praktijk geeft het gebruikte screeningsinstrument geen IQ-scores terug: docenten krijgen enkel een seintje wanneer een leerling de aangeboden opgaven beter gemaakt heeft dan 80% (of 95%) van zijn of haar leeftijdsgenoten (landelijk, of binnen het eigen schoolniveau), en binnen het reguliere onderwijsprogramma wellicht wat extra uitdaging zou kunnen gebruiken.

    Voor dit onderzoek zijn de gemeten percentielscores (de puntscores) van de leerlingen uitgezet op een IQ schaal, zodat er verder gekeken kon worden dan alleen “is deze leerling gesignaleerd of niet”. Daarbij is niet naar de IQ-scores van individuele leerlingen gekeken, maar zijn alleen op groepsniveau analyses uitgevoerd.

    Resultaten

    VOQS-scores per schoolniveau

    Onderstaande tabel toont de verdeling van de VOQS-scores per schoolniveau:

    Schoolniveau Grijs (< P80) Blauw (P80-P95) Paars (≧ P95)
    Praktijkonderwijs 100% 0% 0%
    VMBO-B 100% 0% 0%
    VMBO-B/K 100% 0% 0%
    VMBO-K 97,3% 2,7% 0%
    VMBO-K/TL 92,8% 5,8% 1,4%
    VMBO-TL 95% 3,7% 1,3%
    VMBO-TL/HAVO 87,7% 8,8% 3,5%
    HAVO 78,0% 13,8% 8,3%
    HAVO/VWO 74,6% 16,3% 9,1%
    VWO (Atheneum) 53,5% 26,5% 20,0%
    VWO (Atheneum/Gymnasium) 49,5% 26,9% 23,6%
    VWO (Gymnasium) 49,4% 24,8% 25,7%

    Uit deze resultaten blijkt dat het percentage leerlingen met een hoge score (Blauw (P80 – P95) en Paars, ≥ P95) toeneemt naarmate het schoolniveau stijgt. Dit bevestigt de verwachting dat leerlingen met hogere cognitieve capaciteiten vaker op een hoger schoolniveau zitten. Tegelijkertijd toont de verdeling van de scores dat er ook op de HAVO en VMBO-leerwegen leerlingen zitten met een hoog cognitief potentieel. Dit suggereert dat wellicht een deel van deze leerlingen onder hun cognitieve niveau les krijgt.

    Resultaten

    VOQS-scores per schoolniveau

    Onderstaande tabel toont de verdeling van de VOQS-scores per schoolniveau:

    Uit deze resultaten blijkt dat het percentage leerlingen met een hoge score (Blauw (P80 – P95) en Paars, ≥ P95) toeneemt naarmate het schoolniveau stijgt. Dit bevestigt de verwachting dat leerlingen met hogere cognitieve capaciteiten vaker op een hoger schoolniveau zitten. Tegelijkertijd toont de verdeling van de scores dat er ook op de HAVO en VMBO-leerwegen leerlingen zitten met een hoog cognitief potentieel. Dit suggereert dat wellicht een deel van deze leerlingen onder hun cognitieve niveau les krijgt.

    Verschillen in leerjaren en onderwijsniveaus

    Onderstaande tabel toont het percentage leerlingen per leerjaar dat Blauw of Paars scoort op de VOQS (percentiel ≥ 80), uitgesplitst naar schoolniveau:

    Schoolniveau Leerjaar 1 Leerjaar 2 Leerjaar 3 Leerjaar 4 Leerjaar 5 Leerjaar 6
    VMBO-B 0% 0% 0% 0%
    VMBO-K 1,9% 5,6% 0% 0%
    VMBO-G/T 4,1% 6,9% 6,3% 1,6%
    HAVO 16,9% 20,1% 19,5% 20,9% 43,2%
    VWO 47% 50,5% 47,5% 50,8% 51,3% 59,4%

    Dynamiek van schoolloopbanen: opstroom- en afstroomfactoren

    Deze cijfers laten zien dat in de hogere leerjaren van HAVO en VWO steeds meer leerlingen een hoge cognitieve score behalen. Dit zou kunnen komen doordat sommige leerlingen mogelijk zijn ondergeplaatst bij instroom in het VO en uiteindelijk zijn opgestroomd. Ook afstroom is een mogelijke factor: leerlingen die aanvankelijk een hoger niveau volgden, maar uiteindelijk niet de verwachte groei doormaken. Dat kan zijn omdat ze vanuit het PO een te hoog schooladvies hebben gekregen, maar ze kunnen ook tegen beperkingen zijn aangelopen zoals motivatieproblemen, prestatiedruk of een ontoereikende ondersteuningsstructuur binnen de school. 

    Verschillen in leerjaren en onderwijsniveaus

    Onderstaande tabel toont het percentage leerlingen per leerjaar dat Blauw of Paars scoort op de VOQS (percentiel ≥ 80), uitgesplitst naar schoolniveau:

    Dynamiek van schoolloopbanen: opstroom- en afstroomfactoren

    Deze cijfers laten zien dat in de hogere leerjaren van HAVO en VWO steeds meer leerlingen een hoge cognitieve score behalen. Dit zou kunnen komen doordat sommige leerlingen mogelijk zijn ondergeplaatst bij instroom in het VO en uiteindelijk zijn opgestroomd. Ook afstroom is een mogelijke factor: leerlingen die aanvankelijk een hoger niveau volgden, maar uiteindelijk niet de verwachte groei doormaken. Dat kan zijn omdat ze vanuit het PO een te hoog schooladvies hebben gekregen, maar ze kunnen ook tegen beperkingen zijn aangelopen zoals motivatieproblemen, prestatiedruk of een ontoereikende ondersteuningsstructuur binnen de school.

    Onbenut potentieel?

    Uit de beschikbare data blijkt dat de overlap in intelligentieniveaus tussen de verschillende schoolniveaus aanzienlijk is. Een opvallend gegeven is dat 19,8% van de HAVO-leerlingen een intelligentieniveau behaalde dat hoger ligt dan het gemiddelde intelligentieniveau van VWO-leerlingen. Dit suggereert dat deze groep, op basis van intelligentie, wellicht in staat zou zijn om op een hoger onderwijsniveau te presteren. De vraag rijst in hoeverre andere factoren, zoals motivatie, studievaardigheden of omgevingsfactoren, een rol spelen bij de uiteindelijke schoolkeuze en het schoolsucces van deze leerlingen.

    Onderstaande tabel toont het percentage leerlingen op een bepaald schoolniveau dat een intelligentieniveau behaalt dat hoger is dan het gemiddelde intelligentieniveau van een van de hogere schoolniveaus.

    Huidig schoolniveau Percentage dat hoger scoort dan het gemiddelde intelligentieniveau op VMBO-K Percentage dat hoger scoort dan het gemiddelde intelligentieniveau op VMBO-GL/TL Percentage dat hoger scoort dan het gemiddelde intelligentieniveau op HAVO Percentage dat hoger scoort dan het gemiddelde intelligentieniveau op VWO
    VMBO-B 39,4% 18,4% 3,9% 0%
    VMBO-K 27,5% 9,9% 2,2%
    VMBO-GL/TL 25,9% 4,8%
    HAVO 19,8%

    VWO-leerlingen behalen gemiddeld het hoogste intelligentieniveau, met een gemiddelde score van 113,5. Ter vergelijking: HAVO-leerlingen behalen gemiddeld een score van 103,3 en VMBO-GL/TL-leerlingen 94,9. Op basis van deze trend kan men speculeren dat leerlingen met een intelligentieniveau van ongeveer 123 of hoger mogelijk een onderwijsniveau boven het VWO aankunnen. Dit zou gelden voor ongeveer 27% van de huidige VWO-leerlingen. De vraag is of deze groep gebaat zou zijn bij aanvullende onderwijsprogramma’s of een specifiek ingericht excellentietraject dat hen verder uitdaagt.

    Onderstaande tabel toont het percentage leerlingen op een bepaald schoolniveau dat een intelligentieniveau behaalt dat hoger is dan het gemiddelde intelligentieniveau van een van de hogere schoolniveaus.

    VWO-leerlingen behalen gemiddeld het hoogste intelligentieniveau, met een gemiddelde score van 113,5. Ter vergelijking: HAVO-leerlingen behalen gemiddeld een score van 103,3 en VMBO-GL/TL-leerlingen 94,9. Op basis van deze trend kan men speculeren dat leerlingen met een intelligentieniveau van ongeveer 123 of hoger mogelijk een onderwijsniveau boven het VWO aankunnen. Dit zou gelden voor ongeveer 27% van de huidige VWO-leerlingen. De vraag is of deze groep gebaat zou zijn bij aanvullende onderwijsprogramma’s of een specifiek ingericht excellentietraject dat hen verder uitdaagt.

    Invloed van achtergrond op plaatsing in het VO

    Om de mogelijke invloed van culturele of etnische achtergrond op schoolniveau te onderzoeken, werd de combinatie van voor- en achternaam van de leerlingen (n = 6409) met behulp van een name-ethnicity classifier (NEC, Hafner et al., 2023) ingedeeld in de volgende categorieën: ‘European’, ‘Nordic’, ‘African’, ‘Celtic’, ‘East Asian’, ‘Hispanic’, ‘Arabic’ en ‘South Asian’. Het schoolniveau werd numeriek gecodeerd, variërend van 1 voor praktijkonderwijs tot 6 voor VWO. Leerlingen met een dubbel niveau, zoals HAVO/VWO, kregen een tussenscore van 5,5.

    Een regressieanalyse, waarbij schoolniveau als afhankelijke variabele werd gebruikt en intelligentieniveau en naamcategorieën als verklarende variabelen dienen, onthulde dat, bij een gelijke intelligentie, leerlingen met een naam uit bepaalde categorieën gemiddeld een ander onderwijsniveau volgden. Leerlingen met een ‘Nordic’, ‘Celtic’, ‘East Asian’ of ‘South Asian’ naam lieten geen significant verschil zien ten opzichte van leerlingen met een Europese naam. Echter, leerlingen met een naam uit de categorieën ‘Hispanic’ en ‘African’ volgden gemiddeld een iets lager schoolniveau dan hun even intelligente ‘European’ tegenhangers, met kleine effecten van respectievelijk β = -0.17 en β = -0.14. Opmerkelijk is dat leerlingen met een naam geclassificeerd als ‘Arabic’ gemiddeld een half schoolniveau lager ingeschaald werden dan leerlingen met een ‘European’ naam (β = -0.47). Dit is een substantieel verschil en roept vragen op over de invloed van sociale en institutionele factoren op schooladvies en -plaatsing.

    Deze bevindingen suggereren dat er naast intelligentie andere factoren een rol spelen bij de bepaling van het onderwijsniveau, mogelijk gerelateerd aan percepties en vooroordelen binnen het onderwijsstelsel. Verdere analyse is noodzakelijk om te achterhalen of dit effect wordt veroorzaakt door verschillen in sociaaleconomische status, culturele verwachtingen, of impliciete vooroordelen bij schooladviezen.

    Beperkingen en alternatieve verklaringen

    Hoewel de analyse een verband aantoont tussen naamcategorieën en schoolplaatsing, moet worden erkend dat dit effect niet uitsluitend te wijten hoeft te zijn aan bias in schooladvies. Andere factoren kunnen een rol spelen, zoals:

    • Sociaaleconomische status (SES): Leerlingen met bepaalde naamcategorieën kunnen gemiddeld een lagere SES hebben, wat indirect hun onderwijskansen beïnvloedt
    • Onderwijsondersteuning thuis: De mate waarin ouders kunnen helpen met huiswerk en schoolkeuzes kan variëren tussen verschillende groepen.
    • Culturele verwachtingen: Verschillende gemeenschappen hanteren mogelijk andere verwachtingen over schoolniveau en studiemotivatie.

    Deze factoren zijn niet uitgevraagd in dit onderzoek en zijn daarom ook niet opgenomen in de resultaten.

    Conclusie en aanbevelingen

    Uit de beschikbare data blijkt dat de overlap in intelligentieniveaus tussen de verschillende schoolniveaus aanzienlijk is. Een opvallend gegeven is dat 19,8% van de HAVO-leerlingen een intelligentieniveau behaalde dat hoger ligt dan het gemiddelde intelligentieniveau van VWO-leerlingen. Dit suggereert dat deze groep, op basis van intelligentie, wellicht in staat zou zijn om op een hoger onderwijsniveau te presteren. Dit roept de vraag op in hoeverre andere factoren, zoals motivatie, studievaardigheden of omgevingsfactoren, een rol spelen bij de uiteindelijke schoolkeuze en het schoolsucces van deze leerlingen.

    Daarnaast wijst een regressieanalyse uit dat bij een gelijke intelligentie leerlingen met een naam uit bepaalde categorieën gemiddeld een ander onderwijsniveau volgen. Leerlingen met een Arabische naam werden gemiddeld een half schoolniveau lager ingeschaald dan hun Europese tegenhangers (β = -0.47). Leerlingen met een Spaanse of Afrikaanse naam volgden gemiddeld een iets lager schoolniveau dan even intelligente Europese leerlingen, met kleine effecten van respectievelijk β = -0.17 en β = -0.14. Deze bevindingen suggereren dat naast intelligentie mogelijk ook sociale of institutionele factoren van invloed zijn op schooladvies en -plaatsing.

    Aanbevelingen voor onderwijs en beleid

    1. Betere screening en signalering in het basisonderwijs: Indien leerlingen tijdig op het juiste niveau worden ingeschat, kunnen zij instromen op de best passende vorm van Voortgezet Onderwijs. Dit zorgt voor beter passende doorstroom PO-VO.
    2. Meer flexibiliteit in opstroommogelijkheden: Het onderwijssysteem zou beter in staat moeten zijn om leerlingen op basis van groei en prestaties van niveau te laten veranderen.
    3. Extra monitoring van cognitief sterke leerlingen in lagere schoolniveaus: Scholen zouden hun leerlingen continu moeten volgen en hen moeten uitdagen als blijkt dat zij onder hun niveau presteren. Dit geldt niet alleen ten opzichte van de landelijke top, maar ook ten opzichte van hun eigen schoolniveau.
    4. Bewustwording en training voor onderwijsprofessionals: Docenten en schoolleiders moeten zich bewust zijn van mogelijke bias, en getraind worden in objectieve besluitvorming. Hoge verwachtingen op basis van objectieve signalering kunnen hierbij helpen.
    5. Onderzoek naar de rol van sociaaleconomische factoren en impliciete vooroordelen: Dit kan helpen om onbewuste verschillen in schooladvies en -plaatsing beter te begrijpen en te corrigeren.
    6. Excellentieprogramma’s voor de meest begaafde leerlingen: Leerlingen met een intelligentieniveau boven de 123 zouden baat kunnen hebben bij specifieke trajecten die hen verder uitdagen en voorbereiden op academische of professionele excellentie. Er is hiervoor een initiatief, BegaafdheidsProfielScholen, dat zich hiermee bezighoudt in het VO.

    Aanbevelingen voor verder onderzoek

    1. Longitudinaal onderzoek naar doorstroom PO-VO: Hoe is de loopbaan van leerling met een hoog cognitief potentieel over de jaren heen en in welke mate worden zij passend ingeschaald?
    2. Onderzoek naar niet-cognitieve factoren: Hoe spelen motivatie, sociale en emotionele vaardigheden, leerlingfactoren (zoals SES, NT2, gender, geboortemaand) en schoolcultuur een rol in de doorstroom en afstroom van leerlingen?
    3. Vergelijkend onderzoek naar selectiemechanismen: Hoe verhouden plaatsingsbeslissingen zich tot cognitieve prestaties in verschillende onderwijssystemen?

    Door gerichter aandacht te besteden aan een nauwkeurige en eerlijke plaatsing van leerlingen binnen het onderwijs, kunnen talenten niet alleen optimaal worden benut, maar kan ook een onderwijsstructuur worden gecreëerd die ieder kind de kans biedt om zich volledig te ontwikkelen. Dit draagt bij aan een rechtvaardiger en meer passend onderwijssysteem, waarin potentieel niet onbenut blijft en waarin leerlingen de ondersteuning en uitdaging krijgen die past bij hun capaciteiten. Uiteindelijk versterkt dit niet alleen individuele onderwijskansen, maar ook de maatschappelijke en economische vooruitgang als geheel.

    “Leerkrachten spelen een cruciale rol bij het goed inschatten van het ontwikkelingspotentieel van leerlingen, maar dit onderzoek laat zien dat onderadvisering een structureel probleem is. Objectieve metingen zijn onmisbaar om te zorgen dat leerlingen de kansen krijgen die ze verdienen.”  

    Femke Hovinga

    Onderzoeker, SCALIQ

    Quote by Susan Jackson: We can't measure a three-foot organism with a one-foot ruler.